Een Nacht

 

Een nacht,

De maan aan de hemel,

Wit en helder.

Mijn hand in die van mijn geliefde.

Zonnebloemvelden

Ontvangen ons.

Mijn ziel gespannen,

Op het punt te breken.

Een nacht,

De maan aan de hemel,

Wit en helder.

 

We liepen en liepen,

Daaldend en stijgend,

Met angst.

Of met moed.

Mijn hand in die van mijn geliefde,

Mijn hele huis op mijn rug,

We liepen en liepen,

Om het water over te steken.

Een nacht,

De maan aan de hemel,

Wit en helder.

En wij,

We liepen zwijgend.

 

Vliegen waren onze metgezellen,

Op een zomernacht,

Tussen de zonnebloemen door,

We liepen en liepen,

Als een droom.

De maan was getuige,

Wit en helder.

De angst paste niet in mijn ziel,

Maar mijn huis

Gleed mijn tas in,

Volgde me op mijn rug.

Op een zomernacht,

Stierven we en stonden weer op,

En we liepen.

De maan was getuige.

 

Want wij

Hadden dorst naar vrijheid.

Een onderschat juweel,

Doorzichtig als water,

Zwaar als lucht.

Om vrijheid te bereiken,

Een nacht,

De maan aan de hemel,

Wit en helder,

En wij,

 

We liepen en liepen.