Inhoud

Nederlands leren als derde taal

De invloed van de eerste en tweede taal
20 maart 2018

Samenvatting

Veel mensen leren als ze al volwassen zijn nog een nieuwe taal, bovenop de talen die ze wellicht al eerder geleerd hebben. Welke taal bemoeilijkt of vergemakkelijkt het leren van een nieuwe taal het meest? Is dat de moedertaal of is dat de al eerder geleerde taal en hoe komt dat dan? De moedertaal blijkt de meeste invloed te hebben maar ook de tweede taal heeft een bijdrage. En de invloed van de tweede taal is sterker naarmate de taalafstand tot het Nederlands kleiner is. Dat pleit volgens de auteurs voor de gebruikmaking van taalverwantschappen in een taaldidactische aanpak1.

Veel mensen leren als ze al volwassen zijn nog een taal, bovenop de talen die ze wellicht al eerder geleerd hebben. Een beter begrip van dit leerproces is belangrijk voor het taalonderwijs. Er is veel onderzoek verricht naar factoren die invloed hebben op het leren van een nieuwe taal door volwassenen. Het gaat om eerder geleerde talen, geslacht, leeftijd, opleiding, geletterdheid en de mate van blootstelling aan de nieuwe taal. Ook is bekend dat het leerproces niet voor iedereen hetzelfde verloopt. Wij hebben onderzocht hoe taalverschillen tussen de nieuwe taal en de moedertaal (T1) en tussen de nieuwe taal en een tweede eerder geleerde taal (T2) het leren van een nieuwe taal beïnvloeden (T3). De T3 in ons onderzoek is het Nederlands.

Is voor leerders met T1 Duits en T2 Frans de leerbaarheid van T3 Nederlands beter dan voor leerders met T1 Frans en T2 Duits? En als dat zo is, is er een verklaring? In ons onderzoek hebben we gebruikgemaakt van het begrip taalafstand. Taalafstand hebben we gemeten als een optelsom van verschillen in woorden (lexicale afstand) en grammaticale constructies (morfologische afstand)2. Onze overkoepelende hypothese was direct en eenvoudig: hoe groter de taalafstand, des te moeilijker de leerbaarheid van het Nederlands.

De leerbaarheid van een nieuwe taal kan gedefinieerd worden als de mate waarin de eerste taal en de tweede taal het leren van de nieuwe taal vergemakkelijken of bemoeilijken. De leerbaarheid van de nieuwe taal drukt de omvang van de leermoeilijkheden uit. Die zijn wellicht afhankelijk van de karakteristieken van eerder geleerde talen. Maar hoe verhouden zich de eerder geleerde talen? Geeft de T1 de doorslag of is het juist de T2? Of is het de taal die het meest lijkt op de T3?

Geeft de T1 de doorslag of is het juist de T2? Of is het de taal die het meest lijkt op de T3?

Het doel van ons onderzoek was om na te gaan wat het meest aannemelijke scenario is voor het leren spreken van het Nederlands. We hebben dit onderzocht met behulp van de gegevens van 39.300 volwassen leerders van het Nederlands waarvan de meerderheid heeft aangegeven meer dan één taal te beheersen voordat men was begonnen met het leren van het Nederlands. De leerders hadden 56 verschillende eerste talen (29 Indo-Europese en 27 niet Indo-Europese talen), 35 verschillende tweede talen (in 68% van de gevallen was dat Engels), en kwamen uit 119 verschillende landen. Al deze leerders hebben deelgenomen aan het Staatsexamen Nederlands als Tweede Taal, Programma II (STEX II).

Theoretisch kader

Het is niet duidelijk of de typologische gelijkenis (taalafstand) van de tweede taal van meer of juist van minder belang is dan de typologisch gelijkenis van de eerste taal met de derde taal. En het is evenmin duidelijk of de beheersing van de tweede taal belangrijker is dan de beheersing van de eerste taal. Wat we wel weten is dat over het algemeen een kleinere taalafstand tussen enerzijds de eerste en tweede taal en anderzijds de derde taal positieve effecten heeft op een hogere mate van beheersing van de derde taal.

Drie specifieke scenario's liggen voor de hand voor de wijze waarop taalafstand effect heeft op de overdracht van de tweede taal naar de derde taal. Deze scenario's zijn grotendeels onderzocht voor de verwerving van syntactische eigenschappen, zoals betrekkelijke bijzinnen, de plek van ontkenningen, de plaatsing van de persoonsvorm in de zin en woordvolgorde.

Er is het cumulative enhancement model (Flynn et al. 2004). Dit model voorspelt dat er een zelfstandig effect van de tweede taal aanwezig is maar kleiner dan dat van de eerste taal, dat dat effect positief of neutraal is en dat het al beheersen van een tweede taal beter is voor het leren van een derde taal dan het niet beheersen van een tweede taal.
Vervolgens is er het L2 status factor model (Bardel en Falk 2007) dat voorspelt dat het beheersen van een tweede taal een blokkerend effect heeft in de overdracht van de eerste op de derde taal en dat het effect van de tweede taal sterker is dan dat van de eerste taal, ook al omdat het leren van een tweede taal meer lijkt op het leren van een derde taal. De eerste taal wordt vanaf de geboorte op een procedurele, impliciete wijze verworven, terwijl een tweede (of derde) taal die op latere leeftijd wordt geleerd langs een expliciete, declaratieve manier wordt aangeleerd. Omdat de wijze van leren verschillend is voor de eerste en derde taal zou de taalafstand tussen de tweede en derde taal van groter belang zijn dan de afstand tussen de eerste en derde taal.

Drie specifieke scenario's liggen voor de hand voor de wijze waarop taalafstand effect heeft op de overdracht van de tweede taal naar de derde taal.

Tot slot is er het typological primacy model (Rothman 2010) dat poneert dat ofwel de eerste ofwel de tweede taal het sterkste effect heeft en dat dat afhankelijk is van de vraag welke van de twee talen het meest overeenkomt met de derde taal.

We hebben voor het cumulative enhancement model als uitgangspunt gekozen en dat leidt tot het volgende drietal hypotheses. De eerste hypothese is dat de afstand van de tweede taal tot de nieuwe taal een robuust effect heeft naast het effect van afstand voor de eerste taal. De tweede hypothese is dat een kleinere afstand tot de tweede taal een positief effect heeft op de T3 leerbaarheid. De derde hypothese is dat het effect van de tweede taal zwakker is dan dat van de eerste taal.

Taalafstand

Om de effecten van de eerste en de eventuele tweede taal te meten is gebruik gemaakt van twee maten voor taalafstand. Het gaat om een maat voor lexicale afstand die een weerspiegeling is van de historische ontwikkeling van de Indo-Europese taalfamilie. Daarnaast is een maat voor morfologische afstand gebruikt. De morfologische maat is niet beperkt tot de Indo-Europese taalfamilie en brengt tot uitdrukking in welke mate het Nederlands morfologisch complexer is dan de eerste of tweede taal. De maten zijn samengenomen in de analyses.

Het onderzoek

In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de scores van het Staatsexamen Nederlands als Tweede Taal, Programma II data (STEX II) van kandidaten die voor de eerste keer deelnamen aan het onderdeel 'Spreken'. Van hen is een aantal achtergrondkenmerken bekend, zoals geslacht, leeftijd, verblijfsduur maar ook wat hun eerste taal is en of ze ook nog andere talen beheersen en, zo ja, welke taal ze dan het beste beheersen.

Uitkomsten

Op de eerste plaats bleek dat de afstand tot de tweede taal een significant effect had op spreekvaardigheid. We hebben dit voor vier eerste talen geïllustreerd in figuur 1, waarin de STEX-scores zijn afgezet tegen drie tweede talen en de groep eentaligen. In alle gevallen scoorden de eentaligen lager dan de meertaligen.

Figuur 1: Gemiddelde spreekvaardigheidsscores voor 13 T1-T2 combinaties (de vier T1s zijn Indo-Europese talen). De schattingen voor talen met de langere lijnstukken zijn onzekerder.

Het scenario dat het effect van de taal die het dichtst bij het Nederlands staat het sterkst is, los van de vraag of het nu om de eerste taal dan wel de tweede taal gaat, gaat niet op voor de resultaten in figuur 1. Het effect van de eerste taal is consistent sterker dan dat van de tweede taal (hypothese 3). Verder bleek dat zowel voor de eerste taal als voor de tweede taal leerders met morfologisch minder complexe talen (dan het Nederlands) en met talen die in lexicaal opzicht verder van het Nederlands staan, lagere spreekvaardigheidsscores haalden dan leerders met meer morfologisch complexe talen en met talen die lexicaal dichter bij het Nederlands staan. Dat steunt hypothese 2.

Op de eerste plaats bleek dat de afstand tot de tweede taal een significant effect had op spreekvaardigheid.

Tegelijkertijd, en dat is een opvallend resultaat, kwam uit de analyses naar voren dat het effect van de tweede taal niet afhing van de taalafstand van de eerste taal tot het Nederlands. Om een voorbeeld te geven, het effect van L2 Frans was even sterk of nu de eerste taal Spaans of Duits was. Dat houdt in dat het effect van de tweede taal robuust en onafhankelijk is zoals verondersteld in hypothese 1.

Figuur 2: Relatieve spreekvaardigheidsscores voor taalleerders met de 25 meest voorkomende tweede talen en de eentaligen. De schattingen voor talen met bredere streepjes zijn onzekerder.

De variërende invloed van T2s is te zien in figuur 2. Kennis van het Duits levert onmiskenbaar de grootste bonus op. Verder is er een significant patroon van nabije naar minder nabije talen. De positieve invloed neemt langs de lijn van de Germaanse, via de Romaanse en Indo-Iraanse talen, langzaam af richting een negatieve invloed van talen met een grotere afstand. Dit is het beste te zien voor de talen met de meeste T2 sprekers: Arabisch, Turks, Russisch, Italiaans, Farsi, Spaans, Frans, Engels, Duits. De waarde van de aanpassingen geeft aan met hoeveel punten de taaltoetsscore moet worden aangepast voor elke T2. Het maximale verschil is vijftien punten en dat is niet gering gezien de drempelwaarde van 550 punten en een algemene standaarddeviatie van 38.

Conclusie

Wat zijn de belangrijkste uitkomsten? We hebben bewijs gevonden voor het bestaan van taalafstandseffecten voor zowel de T1 als de T2. Het effect van de T1 taalafstand is sterker dan dat voor de T2. Dat laat zien hoe diep de T1 geworteld zit. En de T2 levert weer een positieve bijdrage in het leren van een T3 ten opzichte van eentaligheid. Meertaligheid levert een voordeel op. Onze bevindingen passen uitstekend in het 'cumulative enhancement model' en voegen daaraan toe dat taalafstand de omvang van de T1 en T2 invloed bepaalt.

Wat betekenen deze uitkomsten voor de praktijk? Volgens ons zijn er twee belangrijke gevolgtrekkingen. Dit onderzoek maakt nog maar eens duidelijk dat het succes om als volwassene een taal als het Nederlands te leren voor een belangrijk deel afhankelijk is van de eigenschappen van de eerste taal. Toegegeven, er is op dat gebied de afgelopen decennia veel kleinschalig onderzoek geweest, maar daaruit kan niet deze algemene conclusie worden getrokken. Ons onderzoek, gebaseerd op een enorm aantal gegevens, laat zien dat taalafstand van de eerste taal en de tweede taal tot het Nederlands een systematische verklaring oplevert die veel verder gaat dan de rijk geschakeerde maar tegelijkertijd fragmentarische kennis die we bezitten op basis van kleinschalig onderzoek.

Dit onderzoek maakt nog maar eens duidelijk dat het succes om als volwassene een taal als het Nederlands te leren voor een belangrijk deel afhankelijk is van de eigenschappen van de eerste taal.

De tweede gevolgtrekking betreft de invloed van de tweede taal. Al eerder is gevonden dat meertaligheid taalkennis oplevert die het leren van nog een taal vergemakkelijkt. Dit onderzoek heeft echter aangetoond dat die kennis vooral nuttig is bij tweede talen die dicht bij de derde taal liggen, het Nederlands dus in ons geval. Dat pleit ontegenzeglijk voor de gebruikmaking van taalverwantschappen in een taaldidactische aanpak.

Print

Literatuur

Noten

  • 1.Dit is een vereenvoudigde weergave van het tweevoudig prijswinnende artikel 'L1 and L2 Distance Effects in Learning L3 Dutch' door Job Schepens, Frans van der Slik en Roeland van Hout (2016), Language Learning 66, 224-256.Het artikel is recent ook als winnaar van de AAAL 2018 research article award uit de bus gekomen.
  • 2.Taalafstand kan ook nog op andere manieren gemeten worden, zoals syntactisch of fonologisch. Dat blijft hier buiten beschouwing.

© 2009-2020 Uitgeverij Boom Amsterdam


De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:


Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).

No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

Bekijk het laatste nummer: LES nr. 214

Column

Ken jij het werkwoord abaditten?

Soms heb je van die lachwekkende misverstanden in de les. Zo begon ik de les van vanochtend een nieuw onderdeel met de vraag: 'Wie kent Abadit?' Welnu, tijdens de les hebben wij tien minuten lang intens geabadit, alvorens ik in de gaten kreeg dat al dat abaditten uiteindelijk niet nodig was geweest. De lachwekkende serie misverstanden verliep als volgt.

Lees verder
Op de hoogte blijven? Meld u hier aan voor de nieuwsbrief van Les.